Hoofdstuk 20 Verlichting en slecht weer

Bij Snelslagen.nl kun je gratis motor theorie leren voor het rijbewijs A!

Dimlicht

Controleer voor het rijden of je verlichting werkt!
Het dimlicht is het meest gebruikte licht. Het wordt ook weleens de normale verlichting genoemd. Het is verplicht dimlicht aan te hebben als het schemert of als het donker is. Ook overdag als het zicht slecht is, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, moet je de dimlichten aan doen.

Groot licht

Groot licht gebruik je als je met dimlicht niet voldoende zicht hebt. Dit licht is erg fel en herkenbaar door het blauwe lampje in je dashboard dat gaat branden als je het groot licht aan zet. Let er wel op dat je de andere weggebruikers of tegenliggers niet hindert met groot licht. Het gebruik van groot licht is verboden:
  • Overdag;
  • Als je op korte afstand een voertuig volgt;
  • Als je een tegenligger tegenkomt.

Verlichting tijdens slecht weer

Zoals eerder verteld zet je bij verminderd zicht de dimlichten aan. Daarnaast is het verstandig om bij bepaalde weersomstandigheden naast het dimlicht ook nog het mistlicht en/of mistachterlicht te gebruiken.

Zware regenval

Bij mist moet je opletten, omdat je zicht sterk kan verminderen.
Bij zware regenval is het toegestaan om mistlicht voor op de motor te combineren met het dimlicht. Het zicht moet dan minder dan 200 meter zijn. Het mistachterlicht mag je niet voeren tijdens regenval. Dat mag alleen bij zich van minder dan 50 meter door sneeuw of mist.

Mist of zware sneeuwval

Als er mist of zware sneeuwval is met een zicht van minder dan 50 meter, mag je het mistachterlicht voeren.

Rijden met slecht weer

Regen

Als het regent, zijn er een aantal punten waar je op moet letten: Het soort wegdek, klinkers en/of zogenaamde Kinderkopjes kunnen erg glad zijn bij regenval; Na een droge periode kunnen rubber en olieresten naar de oppervlakte van het wegdek drijven. Hierdoor kan het extra glad zijn; Als het regent, heb je altijd het dimlicht aanstaan. Als het zicht bij zware regenval minder is dan 200 meter, mag je het dimlicht ook combineren met mistlichten (voorzijde). Het is niet toegestaan om met regen je mistachterlicht aan te hebben.

Wind

Bij sommige bruggen moet je rekening houden met een sterke zijwind. Bijvoorbeeld een hoge brug over een rivier. Aan het begin van deze bruggen staat het bord J31. Bij sommige bruggen staat een windzak. Aan deze windzak kun je zien vanuit welke richting het waait en of het wel of niet hard waait. Als het hard waait, dan kun je dit uitdrukkerlijk merken op de motor. Verminder je snelheid en blijf op dezelfde rijstrook rijden tot je de brug over bent.

Sneeuw en ijzel

Bij sneeuw ontstaan vaak gevaarlijke situaties door gladheid.
Bij sneeuw en ijzel moet je extra voorzichtig zijn. Het wegdek kan erg glad zijn. Zelfs met een lage snelheid kan het gebeuren dat de motor begint te glijden. Neem daarom geen enkel risico. Bij sneeuw en ijzel let je extra goed op de volgende punten: Pas je snelheid aan;
  • Bewaar ruim voldoende afstand met je voorliggers;
  • Verkeerlichten, kruispunten of rotondes voorzichtig benaderen;
  • Rem ruim op tijd en niet te hard;
  • Neem bochten voorzichtig en sorteer rustig voor;
  • Let extra goed op bij in/uitvoegen;
  • Let op bij voorrang nemen, andere bestuurders kunnen doorglijden.

Mist

Mist is een wolk van hele fijne waterdruppeltjes. Als er mist is, moet je altijd alert zijn dat dit effect heeft op het zicht tijdens het rijden. Als je in de mist rijdt, moet je op de volgende punten letten:
  • Pas je snelheid aan;
  • Vergroot de afstand met je voorligger;
  • Ga niet onnodig inhalen;
  • Bij minder dan 200 meter zicht, mistlichten (voorzijde) aanzetten;
  • Bij minder dan 50 meter zicht, mistachterlicht aanzetten;
  • Probeer je te orienteren op de lijnen op het wegdek, houdt rechts aan.

Doorglijden

Als er bijvoorbeeld nog niet is gestrooid, kan het wegdek erg glad zijn. In dit geval is de kans op doorglijden extra groot. Het kan voorkomen dat je bij het benaderen van het Verkeersbord B6 of het Verkeersbord B7 wilt stoppen. Alleen op het moment dat je begint te remmen verliezen de banden grip op het wegdek. Je remt bijna niet af en komt daardoor niet op tijd stil te staan voor bijvoorbeeld een kruispunt. Dit noemen ze doorglijden. Begin daarom bij sneeuw of ijzel altijd op tijd met remmen en rem niet te hard. Als je op een voorrangsweg rijdt en je ziet een andere bestuurder naderen, pas dan ook je snelheid aan. Het is namelijk mogelijk dat de andere bestuurder ook door kan glijden.

Snelheid bij slecht weer

Adviessnelheden en maximumsnelheden gelden alleen voor goede weersomstandigheden. Bij slecht weer neem je geen enkel risico en houd je altijd een veilige snelheid aan. Liever te langzaam dan te snel. Ook de snelheden aangegeven op elektronische borden kunnen nog steeds te snel zijn. Probeer altijd goed in te schatten wat de toestand van het wegdek is en pas je snelheid daarop aan.

Remmen bij slecht weer

Bij een motor gebruik je de voor- en de achterrem om af te remmen of te stoppen. Probeer daarbij gelijkmatig met je voor- en achterrem te remmen. Als je ongelijk gaat remmen, kan het zijn dat je voor- of achterwiel gaat slippen. Houd er ook rekening mee dat wanneer je een passagier hebt, dat de remweg ook langer wordt. Probeer ook niet te remmen in de bochten. Als je dit doet, zal je stuur gaan trekken. Rem dus voordat je een bocht ingaat. Bij slecht weer moet je met een motor voorzichtiger remmen. Vaak is het wegdek door regen, sneeuw of ijs gladder dan normaal, waardoor je in de slip kunt raken.

Ga door naar het volgende hoofdstuk Pech en ongevallen >

Test je kennis over Verlichting en slecht weer

Auto- motor- en bromfiets-theorie cursus

Online theorie cursus

Via Snelslagen.nl koop je het complete
online theoriepakket inclusief alle theorie examens al voor € 24,99

Ontdek meer >