6580 rijscholen & 11336 reviews

Hoofdstuk 19 Verlichting en slecht weer

Bij Snelslagen.nl kun je gratis auto theorie leren voor het rijbewijs B!

Verlichting

In dit deel lees je meer over de verlichting die je als bestuurder moet voeren. Daarnaast vind je enkele overige verplichtingen die ook gelden. Om goed zichtbaar te zijn, is het belangrijk dat je auto voorzien is van goed werkende verlichting. Het meest veilige is om altijd met dimlicht te rijden, dit is echter niet verplicht.

Dimlicht

Controleer voor het rijden of je verlichting werkt!
Het dimlicht is het meest gebruikte licht bij een auto. Het wordt ook weleens de normale verlichting genoemd. Het is verplicht dimlicht aan te hebben als het schemert of als het donker is. Ook overdag als het zicht slecht is, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, moet je de dimlichten aan doen.

Stadslicht

Het stadlichten is de minst felle verlichting van een auto. Hoewel ze wel op de auto zitten, is het niet toegestaan om alleen met stadslichten te rijden. Je kiest er daarom altijd voor om de dimlichten aan te zetten.

Groot licht

Groot licht gebruik je als je met dimlicht niet voldoende zicht hebt. Dit licht is erg fel en herkenbaar door het blauwe lampje in je dashboard dat gaat branden als je het groot licht aan zet. Let er wel op dat je de andere weggebruikers of tegenliggers niet hindert met groot licht. Het gebruik van groot licht is verboden:
  • Overdag;
  • Als je op korte afstand een voertuig volgt;
  • Als je een tegenligger tegenkomt.

Verlichting tijdens slecht weer

Zoals eerder verteld zet je bij verminderd zicht de dimlichten aan. Daarnaast is het verstandig om bij bepaalde weersomstandigheden naast het dimlicht ook nog het mistlicht en/of mistachterlicht te gebruiken.

Zware regenval

Bij zware regenval is het toegestaan om mistlicht (voorzijde auto) te combineren met het dimlicht. Het zicht moet dan minder dan 200 meter zijn. Het mistachterlicht mag je niet voeren tijdens regenval.

Mist of zware sneeuwval

Bij minder dan 50 meter zicht is het verstandig om het mistachterlicht aan te zetten.
Als er mist of zware sneeuwval is met een zicht van minder dan 50 meter, mag je het mistachterlicht voeren.

Rijden met slecht weer

Als het weer slecht is, door bijvoorbeeld regen of sneeuw, moet je extra alert zijn. Het is belangrijk dat je voldoende afstand houdt met je voorganger en je een veilige snelheid aanhoudt. In dit deel lees je meer over de verschillende weersomstandigheden waar je als bestuurder in terecht kunt komen.

Regen

Als het regent, zijn er een aantal punten waar je op moet letten:
  • Het soort wegdek, klinkers en/of zogenaamde Kinderkopjes kunnen erg glad zijn bij regenval;
  • Na een droge periode kunnen rubber en olieresten naar de oppervlakte van het wegdek drijven. Hierdoor kan het extra glad zijn;
  • Als de ruitenwissers een tijd niet zijn gebruikt, bijvoorbeeld na een droge periode, kunnen ze vies en/of vet zijn. Dit vermindert je zicht;
  • Als het regent, heb je altijd het dimlicht aanstaan. Als het zicht bij zware regenval minder is dan 200 meter, mag je het dimlicht ook combineren met mistlichten (voorzijde). Het is niet toegestaan om met regen je mistachterlicht aan te hebben.
Als het regent kan het voorkomen dat je last krijgt van Aquaplanning. Aquaplanning komt door sporen in het wegdek welke vollopen met water, of bij plassen water. Door de snelheid van de auto kan het namelijk gebeuren dat de auto als het ware over het water drijft/zweeft. Hierdoor reageert het stuur even niet. Als dit gebeurt blijf dan kalm. Probeer geen onverwachtse stuurbewegingen te maken en laat het gas los.

Wind

Het kan voorkomen dat er een sterke wind staat. Ook hier moet je opletten, omdat de wind aan de auto kan gaan trekken/duwen. Vooral bij bruggen, viaducten en open plekken moet je alert zijn, omdat je plotseling verrast kan worden door een rukwind. Schrik niet! Probeer je snelheid aan te passen en haal niet onnodig in.

Mist

Mist is een wolk van hele fijne waterdruppeltjes. Als er mist is, moet je altijd alert zijn dat dit effect heeft op het zicht tijdens het rijden. Als je in de mist rijdt, moet je op de volgende punten letten:
  • Pas je snelheid aan;
  • Vergroot de afstand met je voorligger;
  • Ga niet onnodig inhalen;
  • Bij minder dan 200 meter zicht, mistlichten (voorzijde) aanzetten;
  • Bij minder dan 50 meter zicht, mistachterlicht aanzetten;
  • Probeer je te orienteren op de lijnen op het wegdek, houdt rechts aan.

Sneeuw en ijzel

Bij sneeuw ontstaan vaak gevaarlijke situaties door gladheid.
Bij sneeuw en ijzel moet je extra voorzichtig zijn. Het wegdek kan erg glad zijn. Zelfs met een lage snelheid kan het gebeuren dat de auto begint te glijden. Neem daarom geen enkel risico. Bij sneeuw en ijzel let je extra goed op de volgende punten:
  • Pas je snelheid aan;
  • Bewaar ruim voldoende afstand met je voorliggers;
  • Verkeerlichten, kruispunten of rotondes voorzichtig benaderen;
  • Rem ruim op tijd en niet te hard;
  • Neem bochten voorzichtig en sorteer rustig voor;
  • Let extra goed op bij in/uitvoegen;
  • Let op bij voorrang nemen, andere bestuurders kunnen doorglijden.

Doorglijden

Als er bijvoorbeeld nog niet is gestrooid, kan het wegdek erg glad zijn. In dit geval is de kans op doorglijden extra groot. Het kan voorkomen dat je bij het benaderen van het Verkeersbord B6 of het Verkeersbord B7 wilt stoppen. Alleen op het moment dat je begint te remmen verliezen de banden grip op het wegdek. Je remt bijna niet af en komt daardoor niet op tijd stil te staan voor bijvoorbeeld een kruispunt. Dit noemen ze doorglijden. Begin daarom bij sneeuw of ijzel altijd op tijd met remmen en rem niet te hard. Als je op een voorrangsweg rijdt en je ziet een andere bestuurder naderen, pas dan ook je snelheid aan. Het is namelijk mogelijk dat de andere bestuurder ook door kan glijden.

Winterbanden en sneeuwkettingen

In sommige landen moet je verplicht sneeuwkettingen bij je hebben.
In gebieden waar veel sneeuw valt, is het aan te bevelen winterbanden en/of sneeuwkettingen te gebruiken. Winterbanden hebben een ander soort profiel en een andere samenstelling van het rubber. Hierdoor hebben de banden betere eigenschappen bij koud weer. Door de betere grip, zal je minder snel gaan glijden in bochten of bij plotseling remmen. In bergachtige gebieden met veel sneeuw kan het zelfs zijn dat het gebruik van sneeuwkettingen verplicht is. Vaak zit er wel een snelheidsbeperking (meestal van maximaal 50 km per uur) aan sneeuwkettingen.

Snelheid bij slecht weer

Adviessnelheden en maximumsnelheden gelden alleen voor goede weersomstandigheden. Bij slecht weer neem je geen enkel risico en houd je altijd een veilige snelheid aan. Liever te langzaam dan te snel. Ook de snelheden aangegeven op elektronische borden kunnen nog steeds te snel zijn. Probeer altijd goed in te schatten wat de toestand van het wegdek is en pas je snelheid daarop aan.

Korting op iTheorie

Via Snelslagen.nl kom je in aanmerking voor een insteressante korting op iTheorie

Ontdek meer >